We willen sterke gemeenschappen, maar wel zelf de regie houden

Gemeenschappen. Toch wel hét toverwoord in de huidige aandacht voor de grote opgaven rond wonen, zorg en welzijn. Er wordt veel van gemeenschappen verwacht rond informele zorg, gezondheid en samenleven. En dus versterkt de overheid graag de ‘sociale basis’ en zetten woningcorporaties een stap naar voren en bouwen ze samenredzame woongemeenschappen en zorgzame buurten. Maar een gemeenschap die sterker wordt, kan ook zelf iets van instituties gaan vragen. En precies daar begint het te schuren.

25 augustus 2026

Sturen op sterke gemeenschappen

Hierdoor is er ook veel aandacht voor de ruimtelijke keuzes die hieraan bijdragen. Woonstede presenteerde onlangs een strategie voor fysieke sturing op een vitale woonomgeving, met daarin allerlei uitgangs- en aandachtspunten die bijdragen aan levendigheid, ontmoeting, welzijn en gezondheid. In Utrecht en Eindhoven werken sociaal architecten aan het verbinden van ruimtelijke en sociale vraagstukken zodat ruimtelijke investeringen bijdragen aan een inclusieve, veerkrachtige en gezonde stad. Zo scheppen instituties graag de voorwaarden voor een sterke samenleving die zorgt voor elkaar.

Moeite met reageren

Ondertussen worstelen diezelfde instituties nog flink met lokale gemeenschappen die zich melden als serieuze samenwerkingspartner. Zodra mensen zelf het initiatief nemen voor de zorg voor elkaar en voor hun leefomgeving, dan blijkt hoe lastig instituties het vinden om daarop aan te sluiten. Vaak zijn er wel wijkambtenaren die voor je klaar staan en loketten en regelingen die initiatiefnemers ondersteunen, maar is het geld al verdeeld en blijft de invloed op de grote beslissingen beperkt. De regie loslaten is niet iets wat je van nature makkelijk doet. Ook corporaties vinden het maar wat lastig als bewoners het gebouwonderhoud deels zelf willen doen of vragen om invloed op woningtoewijzing.


Opleving van collectieve actie

De beweging van bewonerscollectieven en lokale gemeenschappen neemt ondertussen steeds serieuzere vormen aan en is niet langer te ontkennen als derde actor naast overheid en markt. Er is een heropleving gaande in het coöperatieve denken en doen, mede als reactie op een maatschappelijk middenveld dat zich steeds meer als de markt is gaan gedragen. Burgers verenigen zich daarom weer zelf lokaal en kleinschalig rond de zaken die hen aan het hart gaan. En al die initiatieven verenigen zich ook weer landelijk in de We Doen Het Samen-coalitie, Cooplink en de Huizen van Actief Burgerschap. We kunnen er niet meer omheen.


Oud denken

Ondertussen zit het denken over samenwerken met (georganiseerde) bewoners nog stevig in het ‘participatie-denken’, met ladders en treden die vooral beschrijven hoeveel invloed bewoners binnen het bestaande systeem krijgen. De Overlegwet lijkt daarbij eerder een rituele dans voor te schrijven dan samenwerking aan goede volkshuisvesting. Ook de dienstverlening van corporaties is niet gericht op de gemeenschap, maar op het individu.

De lokale gemeenschap als partner serieus nemen, ruimte maken voor initiatief, faciliteren van wat bewoners zelf al in gang zetten: daar zit de grote uitdaging. De VNG-handreiking Overheidsparticipatie is een mooie stap daartoe, maar in de praktijk schuurt het nog volop. Bijvoorbeeld wanneer initiatiefnemers met vakbekwaamheid en een groot netwerk in de eigen wijk zich willen inzetten voor zorg en welzijn in de wijk, maar worden weggezet als zzp’ers op zoek naar werk. Of wel alle waardering krijgen maar geen geld, want dat is al verdeeld en bestemd. Dat gaat al naar beleidsmakers, onderzoekers en welzijnswerkers zonder netwerk in de wijk die de sociale basis willen versterken.

Tot duurzame vernieuwing komen

Grofweg zijn er twee plekken waar ‘kwaliteit’ nodig is: Aan de voorkant; in het contact met initiatiefnemers en bewonerscollectieven. Dan gaat het over gedrag, houding, cultuur en de instrumenten en praktijken die dat ondersteunen. Zoals luisteren zonder meteen in procedures te schieten, één aanspreekpunt bieden, meedenken over wat wél kan en duidelijk zijn over wat je wel en niet kan betekenen.

En er is kwaliteit nodig aan de achterkant; in de sturing, verantwoording, inkoop en domeinoverstijgend samenwerken. Denk aan:

  • Kaders die ruimte laten voor leren en bijstellen, in plaats van vooraf alle resultaten, KPI’s en bestedingen dicht te timmeren;
  • Inkoopprocedures die ruimte bieden aan samen stapsgewijs verder komen;
  • Beleidsevaluaties die niet alleen kijken of vooraf gestelde resultaten zijn gehaald, maar ook wat er onderweg is geleerd en welke maatschappelijke waarde is ontstaan.

Dus niet alles vooraf SMART dichttimmeren, maar slim ruimte bieden aan incrementeel leren en vooruitgang boeken over beleidskokers heen. Het vraagt om anders sturen: de juiste dingen bestellen en ervoor zorgen dat dingen lukken dankzij het systeem.

Met moed, lef en doorzettingsvermogen kom je een eind, maar loop je ook regelmatig vast. Bestuurders spelen hierin een sleutelrol door rugdekking te bieden voor praktijken van experimenteren en leren die leiden tot duurzame vernieuwing. Anders blijven we gemeenschappen wél zien als oplossing voor beleidsopgaven waar we graag zelf de regie op houden, maar niet als volwaardige partner in het vinden van nieuwe oplossingen.

Freek Liebrand

Meer weten?

Freek vertelt je er graag meer over

06 17 15 94 64

f.liebrand@vannimwegen.nl